5. Het verhaal van bakstenen en schrijnwerk

 

Het huis Rolweg 64 heeft tot op vandaag zijn landelijk karakter bewaard. Dit is vrij uniek voor een huis binnen de Brugse omwalling. Het woonhuis en de schuur zijn één bouwlaag hoog en afgedekt met een zadeldak. De straatgevel zonder vensters, heeft een zeer gesloten en sober karakter. Op het panoramisch stadsplan van Marcus Gerards (1562) is op deze plaats reeds een gebouw te zien met min of meer hetzelfde volume en uitzicht.

 

De schuur, gelegen tussen de hoek met Kruisvest en het woonhuis is duidelijk te onderscheiden van dit woonhuis. Deze schuur is minder hoog en eenvoudig van architectuur. Thans is ze ingericht als conciërgewoning. Het woonhuis heeft aan de straatzijde twee tuitgeveltjes waarin telkens een vensteropening steekt. Zowel de bakstenen tuitgeveltjes als de zijgevels zijn afgewerkt met zogenaamde vlechtingen. Dit is een decoratieve en functionele metselwijze waarbij tegen de zijkant van de topgevel wigvormige stukken metselwerk worden ingepast. Tussen beide puntgeveltjes bemerken we een groot schouwmassief. De nog zichtbare sporen van vroegere korfboogingangen en venstertjes wijzen op een boeiend bouwkundig verhaal dat ongetwijfeld opklimt tot de 16de eeuw. Ook de deuropeningen hebben een verleden. Aanvankelijk waren er twee met rondboog en symmetrisch ingewerkt onder beide tuitgevels. Maar in 1830 laat de eigenaar Th. Vande Walle de rechterdeuropening dichtmetselen en verplaatst hij de linkerdeur iets meer naar het midden.

 

In tegenstelling met de voorgevel biedt de achtergevel een heel andere aanblik door de ritmische opdeling in tien traveeën met negen vensters en één deur. Alle vensteropeningen zijn rechthoekig en hebben een natuurstenen dorpel, waarvan sommige nog oorspronkelijk zijn. Boven de vensters zijn sporen van gekoppelde ontlastingsbogen. Dit betekent dat deze vensters oorspronkelijk met een natuurstenen moneel waren verdeeld. Slechts twee vensters hebben afgeschuinde dagkanten, deze staande kant, bijna altijd loodrecht op de muur of het kozijnvlak, is meestal afgeschuind of geprofileerd om maximaal daglicht toe te laten. Een aantal vensters heeft nog luikjes, die - uitzonderlijk voor buitenluiken - vouwbaar zijn. Twee dakkapellen verlichten de zolderruimte.

 

Via de huidige inkom komen we in het woongedeelte van de hoveniersfamilies. De afwerking van de zoldering met twee moerbalken, kinderbalken en strijkbalken is kenmerkend voor de bouwperiode. Ook de daarnaast gelegen keuken heeft dergelijke zoldering. In deze keuken is de grote haard, die ook gebruikt werd om te koken, afgewerkt met zgn. blauwe klompjes (bakstenen met blauw-paarse kleur). In de muur met de voutekamer is nog een kaarsnis bewaard gebleven. Vanuit de keuken bereikt men een kleine kelder die zich onder de voute- of opkamer bevindt. Deze kamer ligt enkele treden hoger dan de keuken-woonkamer. De voutekamer en de kelder situeren zich naast het hoofdgebouw, onder een lager dak.

De twee kamers die in het rechterdeel van het huis te vinden zijn, werden afgescheiden van het woongedeelte van de huurders en omgevormd tot zomerhuisje van de eigenaars. Deze opsplitsing vond waarschijnlijk reeds plaats onder Theodore Vande Walle, dus tijdens het verblijf van de Gezelles, maar werd slechts in 1890 in de kadastrale leggers genoteerd. De uiterst rechtse kamer heeft een bepleisterde zoldering en was misschien het salon van de familie Vande Walle, die op zondagen van de groene omgeving kwam genieten.

 

 

Tekst overgenomen uit: Jan D'hondt (redactie), Cahiers van Levend Archief vzw, (juni 1999) nr. 1