Meer dan een halve eeuw lang zal dit hoveniershof op de hoek van de Rolweg binnen de familie De Clercq worden beheerd en verhuurd. Valentijn de Clercq was een welstellend koopman o.m. in tapijten die handelscontacten onderhield met Sevilla, Madrid en Bordeaux. Hij was gehuwd met Anna Bezoete en samen met zijn kinderen bewoonden ze een statig herenhuis Amsterdan aan de Spiegelrei nr. 3. Hij bezat een groot aantal huizen en gronden, waaronder enkele lenen zoals ‘t Goed ter Spijckere, een hof van plaisance in Sint-Kruis. Valentijn de Clercq overleed op 26 augustus 1631. Vier jaar later, op 14 juni 1635, verkocht zijn weduwe Anna Bezoete samen met haar kinderen de eigendomstitel van dit perceel aan haar schoonbroer Lieven de Clercq die met haar zuster Jozijne Bezoete gehuwd was. In de koopakte werd het als volgt beschreven: Een schoon parceel met alle de huusynghen ende landen daermede gaende int viercant bemuert zijnde de drie zijden zoo ter stratenwaerts als ter weghe zijnde vrijen ende eyghen mueren ende ter zuijdtzyde commende ande erfve van wijlent heere van Nieuwenhove ende nu de vidua en hoirs van dheer Valentijn de Clercq.


Omstreeks 1656 kwam dit perceel in handen van Philip François de Jauche dit Mastaing (+ 23/2/1683), graaf van Kruishoutem, baron van Moerkerke en grootbaljuw van het Land van Waas. Deze edelman, gehuwd met Lievens dochter, Maria de Clercq, had zijn titel te danken aan een militaire loopbaan o.m. als kapitein in dienst van de Spaanse koning, die hem in 1626 tot graaf had verheven. Het echtpaar de Jauche-de Clercq woonde niet in Brugge. Het eigendom werd in deze periode verhuurd aan hovenier Jan van Rolleghem. Op 25 mei 1679 verkocht De Jauche het aan zijn ontvanger Bertholph de Paix, woonachtig in Gent. Amper één jaar later verpatste die het reeds aan Jan Baptist Wouters.

 

Op 1 juli 1680 verwierf Jan Baptist Wouters de hoveniershof aan de Rolweg, nadat hijzelf het een klein jaar voordien in naam van Philippe François de Jausse aan Berholph De Paix had verkocht. J.B. Wouters was de zoon van Michiel en Anna Vrombout. Hij was gehuwd met Christine Rogiers. Dit echtpaar kreeg vijf kinderen waarvan er drie op jonge leeftijd stierven. Jan Baptist Wouters behoorde tot de stadsmagistraat waar hij mandaten vervulde als schepen, raadslid en hoofdman van het Onze-Lieve-Vrouwezestendeel. Hij was ook kerk- en dismeester van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Als Jan Baptist Wouters op 8 april 1713 het aardse leven voor het eeuwige ruilt, komen alle bezittingen in handen van zijn twee dochters Marie en Christina Wouters. Samen stichtten zij in 1713 het godshuis Sint-Joseph in de Westmeers, bestaande uit vijf huisjes en een kapel, om onderdak te geven aan vijf arme ongehuwde vrouwen of weduwen. Zelf bleven ook zij ongehuwd en gingen als “geestelijcke dochters” door het leven. De fundatie van een godshuis was toen een middel bij uitstek om het zielenheil te vrijwaren en een bewijs van hun vroomheid. Op het familiegraf in de Onze-Lieve-Vrouwekerk prijkte overigens hun devies: VIVUNT IN DIEM (Zij leven naar de Dag (des Oordeels)). Marie (+ 1714) en Christina Wouters (+ 1727) woonden in het huis de Drie Bellen in de Oude Burg. Na het overlijden van Christina werd het aanzienlijk familiebezit verdeeld en versnipperd over de vele neven en nichten. Het zijn de erfgenamen die in 1728 beslisten om het huis en hoveniersland aan de Rolweg te verkopen.