De neogotische stijl was nauw verbonden met het katholieke reveil na de Franse en Nederlandse overheersing. In 1834 werd het bisdom Brugge opnieuw opgericht en geleid door sterke figuren als Jean-Baptiste Malou (1848-1864) en Joseph Faict (1864-1894). Ze voerden een felle strijd tegen de liberale politiek, waarin onder meer Gezelles journalistieke geschriften als wapen werden gebruikt. In hetzelfde jaar 1834 werd eveneens het Sint-Lodewijkscollege (1834) opgericht. Het was één van de ruim tien bisschoppelijke colleges die een ideale voedingsbodem vormden voor de rekrutering van nieuwe priesters. Die werden verder opgeleid in het grootseminarie dat sinds 1833 in de voormalige Duinenabdij ondergebracht was.

 

Een groot aantal van die priesters speelden een vooraanstaande rol in het Brugse culturele leven. Charles Carton (1802-1863), stichter van een school voor doven en blinden, was een bibliofiel verzamelaar en publicist. Hij was medeoprichter van de historische kring “Société d’Emulation”, een genootschap dat vandaag de dag nog steeds een internationale faam kent. Guido Gezelle (1830-1899) was actief als leraar, kapelaan, dichter, journalist en filoloog. Hij stond aan de basis van tijdschriften als Loquela, Rond den Heerd en het nog steeds bestaande Biekorf. Desondanks was het Frans in het midden van de negentiende eeuw nog steeds de taal van de stedelijke elite, zowel in het bestuur en het onderwijs als in de privésfeer van adel, hogere geestelijkheid en burgerij. Het is dan ook geen toeval dat Georges Rodenbach met zijn Bruges-la Morte het beeld van het ingesluimerde negentiende-eeuwse Brugge vorm gaf.

 

(E.D.)

 

Op basis van: N. Geirnaert ; L. Vandamme: Brugge: Een Verhaal van 2000 jaar. Brugge: Stichting Kunstboek, 1996. p.100-112