Belang en nawerking

 

Gezelle vertaalde het hele Indianenepos The Song of Hiawatha in een geest van competitie met de oorspronkelijke tekst, zowel literair als taalkundig. Deze literaire ‘overdichting’ werkte daarom oriënterend voor zijn verdere dichterschap : zij gaf inspiratie, zij vereiste veel vakkundigheid en bood de kans filologische arbeid in poëtische taalcreatie om te zetten.  De verregaande taalontginning en -verwerving, die nodig was om de linguïstische rijkdom van het (Oud-)Vlaams te bewijzen, in combinatie met de inspanningen voor het taalkundige tijdschrift Loquela, verrijkte Gezelles idioom in sterke mate en gaf  zelfs aanleiding tot de genese van gedichten. De morfologische bouw van de woorden en de hieraan verbonden productieregels wendde hij doelbewust aan in zijn ‘overdichting’ (‘woorden smeden’). Hij gaf er uitleg over in zijn Engelse lessen (‘woorden zijn huizen, we kunnen ze verbouwen’). Dit proces van vakkundig en creatief aanwenden van systemen voor taalverrijking ging achteraf gewoon door, voor sommige procédés zelfs zeer opvallend (b.v. woorden met ‘ge-‘ of ‘be-‘).
Op het vlak van poëtica zijn er de frequente én gevarieerde toepassingen van de alliteratie die als stijlverschijnsel bleven doorwerken en bijdroegen tot de opbouw van zijn gedichten. De alliteratie werd zelfs een taalscheppende kracht in zijn poëzie. Gezelle wou een concurrentieel literair niveau halen tegenover een originele tekst en leverde hiervoor grote inspanningen in vaktechnische aspecten zoals de omgang met het metrum, het enjambement en het parallellisme. Wanneer hij terugkeert naar de eigen poëzie, is zijn scheppingsvermogen in taal en ritme veranderd en verbeterd. Ook zijn beeldschepping bleef niet langer ongevoelig voor metaforen uit het indianenepos.
Al deze inspanningen en invloeden oriënteerden Gezelles dichterschap in de Kortrijkse jaren vanaf 1880. Hij schreef er als volksdichter én als geleerd dichter. Van dit laatste was de ‘overdichting’ van The Song of Hiawatha onmiskenbaar een product. Miste het voor een deel zijn klankbord, dan had het zijn persoonlijk artistiek project alvast sterk vooruitgeholpen en zijn tweede poëtische carrière op gang getrokken.

 

Dat Gezelle een blijvende interesse had voor indianen, bewees hij nog twee keer, jaren na de vertaling. In 1890 schreef hij in het bezit te zijn van een tomahawk en zelfs van ‘den Calumet’(=vredespijp) van het stamhoofd Black Eagle. Hierover wilde hij een artikel schrijven, maar kwam er niet toe.
In 1897, twee jaar voor zijn dood, schreef hij aan een vriend dat hij in onderhandeling was met ‘eenen Americaander’ om een nieuwe uitgave van zijn vertaling op de markt te brengen. Dit keer zouden er ‘prenten’ aan toegevoegd worden. Hoewel er ook van dit plan niets terechtkwam, illustreert het zijn aanhoudende belangstelling. Gezelle had het Algonquin bestudeerd en gaf er meer uitleg over in zijn noten dan Longfellow ! In deze ‘Aantekeningen’ illustreerde hij uitvoerig zijn etnografische kennis van de indianenvolkeren. Hij citeerde daarbij 4 Amerikaanse en 8 Franse etnologen. Tot slot dit mooie, ietwat romantiserende getuigenis van de student Emile Lauwers, dat ook het leedwezen voor de uitroeiing van de indianen aangaf : « Eerst sprak Gezelle over de geplogentheden der Indianen, over hunne zeden, over hunne gaven en krankheden, over hunne levenswijze, hunne woningen, hunnen klederdracht, hunnen huisraad, aaneenhoudende sprak hij over hunne vervolging, hunnen vlucht en hoe zij geschoten wierden lijk een hoop musschen, en te niete gedaan. » De beste vriend van Hiawatha was Chibiabos, een dichter en zanger. Gezelle noemde hem ‘de zoetgevooisde vinder’. Geen wonder dat hij zelf nadien deze titel meekreeg. 

 

(Karel Platteau)