In 1855 publiceerde de Amerikaanse auteur H.W. Longfellow The Song of Hiawatha. Hoe maakte Gezelle kennis met dit indianen-epos ? En hoe kwam hij op het idee dit lange dichtwerk te vertalen ? Gezelle ontpopte zich bovendien tot een indianen-specialist en zijn vertaling speelde een grote rol voor zijn dichterschap.

 

Boston


Halfweg de negentiende eeuw was er aan de ene zijde van de Atlantische Oceaan een jonge priester-leraar in Roeselare aan het werk, terwijl er aan de andere zijde een professor zijn job opgegeven had om een groot heldendicht te schrijven. Deze Amerikaanse auteur heette Henry Wadsworth Longfellow. Zijn ontmoeting met indiaanse opperhoofden en zijn lectuur van hun verhalen hadden hem op het idee gebracht om een heldendicht, een epos samen te stellen. Hierin zou hij de adel van de ‘Roodhuid’ illustreren in harmonie met die van de ‘Witman’ of blanke. Hij wou dus een authentieke Amerikaanse multiculturele fabel creëren. Hiervoor koos hij de mythische figuur Hiawatha, een hoogbegaafd en idealistisch opperhoofd. Hiawatha trad in het lange, epische gedicht (5400 verzen) op als het prototype van de oorspronkelijke Amerikaanse cultuur, die zich onderwierp aan de Europese cultuur in de persoon van een blanke, katholieke missionaris en zijn gezelschap. Longfellow bezorgde zijn lezers dus een uitgewerkte metafoor om de Amerikaanse ideologische visie op de zogezegd liberale tolerantie en een eigen gegroeide identiteit te verklaren. De uitroeiing van de indianen kwam niet ter sprake.
Longfellows literaire initiatief  kreeg aanvankelijk kritiek en satire te slikken. Racistische critici duldden zijn respect voor de indiaanse cultuur en het gebruik van hun typische naamgeving niet. Raciale antipathieën kwamen op gang in de kranten van Boston, omdat die figuur ‘Wishi-Washi’ en heel zijn indianencultuur het onderwerp waren geworden van een literair werk. Spotters parodieerden behalve de culturele en de sentimentele tendens (‘rather boring’) vooral de vorm en het metrum (‘tum-ti, tum-ti’-versies). Voor beide facetten, inhoud en vorm, was Longfellow nochtans op zoek gegaan om een epos te brengen boven alle kritiek verheven. Inhoudelijk had hij de traditie van adaptatie en herschrijving van oorspronkelijke indiaanse verhalen en vertekende vertalingen voortgezet. Zijn bron Algic Researches van Schoolcraft bevatte veel verhalen van diens indiaanse echtgenote en haar Chippewa-familie. Longfellow had het metrum geleend van de Kalevala, het Finse heldendicht, dat hij in een Duitse vertaling gelezen had. Hij vond dit metrum uiterst geschikt voor een epos en verheelde niet dat hij het daar geleend had. Daarom noemde hij zijn werk later een indiaanse ‘Edda’. Ondanks de eerste tegenkantingen brak het werk door met een enorm succes.