De aanloop voor de inrichting van een Gezellemuseum in het geboortehuis van Guido Gezelle werd gevormd door de tentoonstelling van Gezelleherinneringen die in 1924 in het gouvernementsgebouw werd ingericht n.a.v. de 25ste verjaardag van het overlijden van de dichter. Het initiatief ging uit van het Brugse Davidsfonds. In het verlengde daarvan besloot men tot de oprichting van de vereniging Gezelle-Museum. De stichtingsvergadering dateert van 18 juni 1926. Zoals uit de statuten blijkt, stelde de vzw zich als doel 'de verheerlijking van wijlen Guido Gezelle' te bevorderen, en dit 'voornamelijk door het opzoeken, het verzamelen en bewaren in een museum van werken, voorwerpen en alle stukken welke met den beroemden priester-dichter betrekking hebben, het beleggen van voordrachten, tentoonstellingen enz.' Van bij het begin gaf men aan het museum een brede opdracht: niet alleen het dagelijks bestuur en de verzameling van het nodige materiaal en documentatie om het museum vorm te geven, maar ook het propageren en het verzorgen van de naroem van de priester-dichter. Men kwam tot een overeenkomst met de Stad Brugge die het westelijk deel van het geboortehuis aankocht, inclusief de daarbij horende lusthof, en de twee kamers ter beschikking stelde van de vereniging. Op 14 september 1926 werd het Gezellemuseum, na een lichte aanpassing van het gebouw door architect J. Viťrin, officieel ingehuldigd en ingewijd.


De spilfiguur en stimulerende kracht achter de hele onderneming was de eerste conservator Paul Allossery (1875-1943). Voor de Gezellestudie is hij bekend als bibliograaf, tekstbezorger en collectioneur. Dat vele Gezelliana in het archief van het Gezellemuseum (nu Guido Gezellearchief) verzameld zijn, is voor een groot deel toe te schrijven aan de piŽteitsvolle manier waarop de priester en Gezelliaan Allossery bij vrienden, kennissen en bewonderaars op zoektocht is geweest. Verder speelde hij een belangrijke rol in de totstandkoming van de Jubileumuitgave van Guido Gezelle's volledige werken tussen 1930 en 1939 en was hij (mede)redacteur van zeven delen ervan. Hij zou conservator blijven tot aan zijn dood in 1943 en worden opgevolgd door Antoon Viaene (1900-1979), priester, leraar aan het St.-Lodewijkscollege en het Hoger Instituut voor Opvoedkunde te Brugge, aalmoezenier bij de Rijkskliniek en vooral bekend als redacteur van Biekorf , historicus, lexicograaf, volkskundige en ontwerper van historische optochten (stoeten en processies). De tweede conservator zou meteen ook de laatste worden.