(Poeke, 16.4.1841 - Poeke, 14.9.1914)

 

Hendrik Van Doorne maakte voor het eerst kennis met Gezelle toen hij in 1854 het pensionaat begon. Gezelle ontfermde zich als surveillant over de 13-jarige die veel heimwee had naar huis had en gaf hem de bijnaam “Poeke”. Hij had ook een goede relatie met Van Doornes familie die hij verschillende keren thuis bezocht. Gezelle is nooit klasseleraar geweest van Van Doorne, wel gaf hij hem les in Vlaams en Engels. Toch zijn bijzonder veel gedichten in verband te brengen met die leerling. De meeste werden door Van Doorne verzameld of zijn door Gezelle in zijn album geschreven. Slechts enkele daarvan zijn persoonlijk aan hem opgedragen, b.v.  ‘k Hoore tuitend’ hoornen (augustus 1860). Niet toevallig dateren die gedichten hoofdzakelijk uit de zomer van 1860. Toen Gezelle daarna naar Brugge vertrok, volgde Van Doorne hem naar het Engels College en later het Engels Seminarie te Brugge. In augustus 1865 werd hij priester gewijd en een jaar later vertrok hij naar Engeland. Daar bleef hij ruim 30 jaar werkzaam en keerde rond 1902 terug naar het ouderlijke erfgoed te Poeke, waar hij in 1914 overleed.
Vandoorne had een zekere literaire aanleg en Gezelle zag in hem “een nieuwen schoonen dichter”. Hij hielp Verriest bij het voorbereiden van Gedichten, gezangen en gebeden (1862) en zou ook aan Rond den Heerd meewerken. Behalve een roman schreef hij ook een niet afgewerkt Gedenkboek met zijn herinneringen aan Gezelle te Roeselare.

 

 

J.J.M. Westenbroek, Van het leven naar het boek. Onderzoek naar het ontstaan en aard van Guido Gezelles Gedichten, gezangen en gebeden (1862-1879-1893). Kapellen: Guido Gezellegenootschap, 1967.

 

 

Informatie in het Guido Gezellearchief