(Loo, 24.01.1841 - ?)

 

Edmond (“Mon”) van Hee was een broer van de vroeg gestorven Modest en de meer bekende Alfons van Hee. Toen hij in 1859-1860 in de poësis kwam, was Gezelle deze klas reeds ontnomen. Wel had hij tijdens de schooljaren 1857-1859 samen met Hendrik van Doorne enkele uren Vlaams en Engels gekregen van Gezelle in de vierde en derde klas. Hij was een knappe en levendige student die op dat ogenblik met psychische problemen kampte. Na een gesprek op Gezelles kamer op 8 december 1858 ontstond een uitwisseling van gedichten. Op 11 december omschreef Van Hee zichzelf als een eenzame schipbreukeling in het gedicht Kwade driften. Enkele dagen later wijst Gezelle er in G’hebt dan ook dat bittere water op dat hij altijd kan rekenen op de hulp van de Kerk. Later evolueerden de gedichten naar andere onderwerpen. Net voor Gezelle opnieuw naar Brugge vertrok, vroeg hij in Hoe vaart gij hoe het met zijn oud-leerling ging. Van Hee antwoordde hierop met Hoe da’k nu vare! Na zijn studies aan de Leuvense universiteit vestigde hij zich als advocaat te Veurne. Via de lokale politiek werd hij in 1874 lid van de Bestendige Deputatie van de provincie West-Vlaanderen.

 

Informatie in het Guido Gezellearchief