(Torhout, 18.08.1839-Koekelare,17.07.1913)

 

Karel De Gheldere was een neef van Eugeen van Oye. Vermoedelijk door zijn zwakke gezondheid was hij reeds 19 jaar toen hij de po√ęsisklas van Gezelle bereikte in 1858-1859. Hij was een uitbundige, vrolijke jongen, met een goed gevoel voor humor. Hierop zinspeelt Gezelle in het gedicht dat hij over hem schreef: Aan Karel de Gheldere. Een priesterroeping zat er niet in, maar De Gheldere vertrok wel naar Leuven in 1860 met de bedoeling Gezelle als leraar te volgen naar Engeland. In het rijmloze gedicht Tranen dat Gezelle aan De Gheldere schonk, beschrijft Gezelle zichzelf als een boer die na lange tijd weer naar zijn geboortegrond terugkeert. Het wordt in verband gebracht met Gezelles missionarisdroom. Toen de Engelse plannen niet doorgingen, studeerde De Gheldere geneeskunde.


Al vrij vroeg gaf hij zijn Jongelingsgedichten (1862) uit, die meestal dateren uit de Roeselaarse tijd. Vele ervan zijn ontstaan als schoolwerk. Enkele gedichten maken deel uit van een briefwisseling in gedichten met Gezelle. Ze hebben vooral de relatie leraar-leerling en het schrijven van po√ęzie als thema. In 1881 zouden ze dit herhalen met Nachtegale schuifelare waarbij ze elk om beurt een strofe voor hun rekening namen.

 

Informatie in het Guido Gezellearchief