(Deerlijk, 26.11.1840 - Ingooigem, 27.10.1922)

 

Hij studeerde aan het kleinseminarie (1854-1859) en had er Gezelle als klasleraar. In het Gezellearchief wordt nog schoolwerk van hem bewaard. Alhoewel hij later één van Gezelles grootste propagandisten werd, lijkt een verschil in temperament een zekere intimiteit tussen beiden in de weg gestaan te hebben. Dat Gezelle ‘t Edele spel der vlugge schaverdijnders uitdrukkelijk aan hem opdroeg in zijn Gedichten, gezangen en gebeden (1862) heeft meer te maken met de belangrijke rol die Verriest speelde bij het verzamelen en uitgeven van deze gedichten. Iets persoonlijker is het onuitgegeven afscheidsgedicht Vaer al op de klare beke uit augustus 1858.


In 1860 studeerde Verriest filosofie en in 1864 werd hij priester gewijd. Kort daarop ging hij aan de slag als leraar aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge. Op 19 september 1867 gaf hij les aan het kleinseminarie van Roeselare, waar Albrecht Rodenbach één van zijn leerlingen was. Hij werd vervolgens kloosterdirecteur van de Zusters van Liefde (1877), superior van het college te Ieper (1878) en pastoor in Wakken (1888). Op 19 juni 1895 werd hij pastoor te Ingooigem tot 1912. Hij werd lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde in 1906. In hetzelfde jaar ontving hij ook een eredoctoraat van de Leuvense universiteit. Hij overleed in 1922.


Verriest schreef poëzie, verhalen en ander proza, waarvan met name de portrettenreeks Twintig Vlaamse koppen (1901) bijbleef. Vooral was hij een begenadigd spreker en een politiek agitator, die de geestelijke vader van de blauwvoeterij in West-Vlaanderen genoemd kan worden. Met zijn lezingen speelde een belangrijke rol als promotor van Gezelle, al was zijn visie vaak eenzijdig.

 

Informatie in het Guido Gezellearchief