(Deerlijk, 19.5.1843 - St. Cloud, Parijs, 25.6.1918)

 

Gustaaf Verriest was pas 10 jaar oud toen hij ingeschreven werd in het pensionaat van het kleinseminarie. Hij was dan ook de jongste van Gezelles poŽsisklas in het schooljaar 1858-1859. De levenslang aangehouden briefwisseling alsook de talrijke gedichten van Gezelle voor Gustaaf getuigen van een bijzonder nauwe band tussen de jonge, nog wat kinderlijke leerling en zijn leraar. Ook de familie Verriest had een grote genegenheid voor Gezelle, die nog met de oudste zoon Adolf gestudeerd had.


Hoe licht is toch die sparke vier (7.8.1858) is geschreven naar aanleiding van een nachtmerrie van Gustaaf, maar tevens opgedragen aan zijn oudere broer Hugo Verriest en Eugeen Van Oye. Waarom en kunnen wij niet (4.1.1859) Brief (12.1.1859) O vriend wat schaadt of baat het ons, (2.2.1859) en Nu of nooit! (2.2.1859) zijn persoonlijk gericht aan Gustaaf Verriest. Gezelle wou hiermee de jongen steunen die een mogelijke priesterroeping ernstig nam en naar aanleiding daarvan worstelde met een sterk besef van zwakte en zondigheid.


Uiteindelijk besloot Verriest geneeskunde te studeren eerst in Leuven en later in Wenen. Hij was dokter in Wervik van 1869 tot 1873 en trok daarna naar Duitsland om er verder te studeren. Vanaf 1876 werd hij professor aan de K.U. Leuven tot 1911. Na Gezelles dood ging hij op zoek naar een wetenschappelijke verklaring voor het dichterlijke genie van zijn oud-leraar.


 

Informatie in het Guido Gezellearchief