De economische en technische evoluties tekenden het uitzicht van de stad. In 1838 werd het traject Gent-Brugge-Oostende één van de vroegste Belgische spoorlijnen. Het eerste Brugse station werd in 1844 gebouwd op het Zand. Later werd het vervangen door een nieuw station in neogotische stijl met een moderne ijzeren spoorweghal (1886). Daartoe werd het kapucijnenklooster op het Zand gesloopt en werd er een nieuw gebouwd in de Boeveriestraat.
In de verkrotte wijken van de parochies Sint-Anna, Sint-Gillis, Sint-Magdalena en de Meersen waren de armoede en de bevolkingsdruk het meest zichtbaar. Daar bouwden grondeigenaars hun tuinen om tot een binnenkoertje omgeven door éénkamerwoningen, die verhuurd werden. Deze zgn. “forten” waren van de straat afgesloten door een poortje. Op het einde van de 19de eeuw restten nog een veertigtal forten. Op andere plaatsen in de stad zorgde de liberale burgemeester Jules Boyaval (1854) wel voor betere woonomstandigheden en een nieuwe stedelijke structuur met brede rechtlijnige straten. Zo werd de schouwburgwijk in 1864 gesaneerd. Het oude middeleeuwse stadspatroon werd er vervangen door nieuwe rechte straten met statige herenhuizen die rondom de nieuwe schouwburg werden gebouwd. Ook de buurt ten westen van de Boeveriestraat werd gesaneerd. Zo werd de concentratie kleine verkrotte woningen er vervangen door nieuwe straten en ruimere huizen.


Het ingesluimerde negentiende-eeuwse Brugge met zijn rijke geschiedenis oefende een grote aantrekkingskracht uit op gegoede Engelse families, die zich in de stad kwamen vestigen. Zo ontstond een Engelse kolonie die beschikte over eigen scholen, banken, winkels en clubs. Het waren vooral katholieke Engelsen die hun kinderen hier naar privépensionaten en scholen stuurden of naar het Engels Klooster in de Carmersstraat. In 1859 richtte Baron John Sutton een Engels Seminarie op waar Engelse en Vlaamse jongens opgeleid werden om Engelandmissionaris te worden. Gezelle was er professor in de filosofie en onderrector. De dood van Sutton betekende eveneens het einde van het Engels Seminarie in 1873. De Engelsen hadden vooral een impact op het Brugse culturele en artistieke leven in de negentiende eeuw. Zo zette James Weale zich in voor de herwaardering van het Brugse kunst-patrimonium. Hij woonde in Brugge van 1856 tot 1878 en stichtte in 1865 samen met Guido Gezelle, Félix Bethune en Karel Verschelde de “Société Archéologique”. De Brugse kring had als hoofddoel een oudheidkundige verzameling aan te leggen. Deze verzameling, die aanvankelijk gehuisvest was in de Gentpoort en het Belfort, werd later ondergebracht in het Hof van de heren van Gruuthuse en vormde zo de basis van het huidige Gruuthusemuseum. Via de Engelsen vond ook de neogotiek haar aanhang in Brugge. “The Gothic Revival” greep terug naar de gotiek uit de Middeleeuwen en meteen ook naar het herstel van het katholicisme. De architect Thomas Harper King, leerling van August Pugin, bouwde de Magdalenakerk in neogotische stijl. Het glasraambedrijf van Jean Bethune speelde een belangrijke rol in de neogotische beweging in België. Pas op het einde van de 19de eeuw toonde het katholieke stadsbestuur interesse voor de neogotiek o.m. via de stadsarchitect Louis Delacenserie. Bestaande gebouwen werden gerestaureerd en nieuwe gebouwen werden in de neogotische stijl opgetrokken zoals de Minnewaterkliniek, het Provinciaal Hof en de Rijksnormaalschool.