Na een poëtisch minder vruchtbare periode  (1862-1876) bloeide in Kortrijk zijn dichterschap verrassend overdadig op (1877-1899). Ging Gezelle in zijn Roeselaarse tijd bij voorkeur uit van een bezielde gedachte, die hij toepaste en omkleedde met een natuurbeeld, in de Kortrijkse poëzie gaat hij vaker uit van een concrete ervaring om te komen tot een visie of een abstracte conclusie. De Roeselaarse gedichten kenmerken zich vooral door een stromend ritme met veel herhalingsfiguren en een open strofebouw. De Kortrijkse poëzie laat een vaak kunstige, gesloten  strofebouw zien en ingewikkelde zinsstructuren, waarbij een overdadige interpunctie toon en ritme moduleert. In de vele natuurgedichten treft men impressionistische kenmerken aan, die zelfs af en toe tenderen naar het expressionisme. Men is niet in staat geweest om contacten tussen hun dichter en eigentijdse tendensen in literatuur en schilderkunst aan te wijzen. Kennelijk gaat het hier om een persoonlijke ontwikkelingsgang, die op wonderlijke wijze parallel liep aan een eigentijds proces buiten hem om. In één opzicht echter ging hij met zijn tijd mee. Tot en met Tijdkrans (1893) rangschikte Gezelle in zijn bundels gelegenheidsgedichten en persoonlijke gedichten door elkaar. In zijn laatste bundel, Rijmsnoer (1897), nam hij geen gelegenheidsgedichten meer op, waarschijnlijk onder invloed van de kritiek die hij in 1896 van een jury ondervond op het talrijke voorkomen ervan in Tijdkrans.


Men treft in Gezelles poëtische oeuvre, in West-Vlaams getinte taal bij elk – lager en hoger - stijlniveau, steeds allerlei stijlen naast elkaar aan: traditioneel classicistisch retorische,  revolutionair aandoende romantische, voorts realistische en ten slotte impressionistische en soms zelfs expressionistische stijlen.  Hij gaat daar op soevereine wijze mee om. Hij ontsnapt daarmee aan een eenduidige typering en plaatsbepaling. (Jan J.M. Westenbroek)