De 19de-eeuwse Vlaamse literatuur ontwikkelde zich aanvankelijk, vooral rond de kernen Antwerpen, Gent en Brussel, vanuit een achterstandssituatie. Zij vervulde een wezenlijk educatieve rol: zij moest de eigen taal bevorderen, interesse bijbrengen voor lectuur en literatuur, de overgeleverde volksbeschaving op verschillend gebied en niveau stimuleren en het politieke bewustzijn opwekken. Daarbij was zij sterk afhankelijk van de Franse en Noord-Nederlandse voorbeelden. In het geografisch en cultureel wat afzijdig gelegen West-Vlaanderen ontstond echter een heel bijzondere beweging. Men concentreerde zich daar op het verleden, de taal en de katholieke religie van het eigen gewest om het karakter daarvan te behouden. Dit ‘particularisme’ zou aan belang winnen door het genie van Guido Gezelle.


Gevormd in de erudiete milieus van het klein- respectievelijk grootseminarie te Roeselare en Brugge en door gestage zelfstudie was hij een literair, linguďstisch en vanzelfsprekend theologisch en wijsgerig gevormde priester met een geniale taalbegaafdheid. Hij bezat een onuitputtelijke werkkracht, wat blijkt uit zijn overdadige productiviteit als priester, leraar, dichter en journalist, als taalkundige, folklorist en geschiedkundige. Wat het belang van zijn vooral journalistieke werk is geweest voor de ontwikkeling van het Vlaamse proza, is nog onduidelijk. Als dichter ging hij vooral na zijn dood steeds meer het beeld van de Vlaamse 19de-eeuwse literatuur bepalen, ondanks de toen sterke fixatie op de artistieke kwaliteiten van zijn werk, terwijl hij toch een typisch 19de-eeuwse dichter was door zijn dienstbaarheid aan niet artistieke, maar kerkelijke en maatschappelijke doeleinden.


Het is moeilijk hem als dichter literair-historisch te rubriceren. Hij begon rond 1850 in de toen traditionele classicistisch-retorische stijl en ontwikkelde in zijn Roeselaarse en Brugse tijd (1854-1862) romantische en realistische kenmerken. Op zoek naar eigen vormen vond hij inspiratie in de traditie van de volkspoëzie en in oosterse kleine gedichten. Revolutionair bleek hij ook in het gebruik van dialectische taal in ‘hogere’ stijlgenres als de religieuze lyriek. Hij vond daarbij inspiratie in de bijbelse, Engelse en 17de-eeuwse Zuid-Nederlandse religieuze poëzie. Men heeft deze poëzie in XXXIII Kleengedichtjes (1860) en Gedichten, gezangen en gebeden (1862) gezien als het begin van de moderne Nederlandse poëzie.