Gezelles verfijnd en complex idioom was intussen zowel qua vocabularium als qua ritme verrijkt met taalmateriaal dat hij tijdens zijn hele leven verzameld had, via de studie van oude geschreven literatuur uit de Nederlanden en eigentijdse orale Vlaamse dialecten. In talrijke realistische en impressionistische natuurgedichten realiseert hij klankharmonieën met een expressieve symboolfunctie. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen.
         
In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf vóór het einde van de eeuwwisseling, op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen  werden gepubliceerd.

 

(P. C.)