(Brugge, 24.10.1875 - Moorsele, 11.02.1939)

Studeerde aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge en werd daarna priester. Vanaf 1899 volgde hij de kandidaturen Germaanse filologie in Leuven. Hij werd leraar aan het Sint-Amandscollege van Kortrijk (1900-1913). In 1913 werd hij onderpastoor van de Sint-Maartensparochie in Ieper. Tijdens de eerste wereldoorlog vluchtte hij naar Frankrijk en werd er leraar aan het kleinseminarie van Versailles en aalmoezenier voor de Vlaamse vluchtelingen. In 1919 werd hij onderpastoor in Roesbrugge, leraar aan de rijksmiddelbare school en geestelijk bestuurder van de zusters van de Heilige Familie. In 1921 keerde hij samen met de school en het klooster terug naar Ieper. In 1933 ging hij vervroegd met rust in Moorsele. Hij schreef poëzie en proza en tal van bijdragen aan literaire tijdschriften zoals, De Nieuwe Tijd, De Vlaamsche Vlagge, De Lelie, Ons Volk Ontwaakt, Vlaanderen (1903-1907), Biekorf, Dietsche Warande en Belfort. Als erfgenaam van het Gezellearchief maakte hij tal van studies over zijn oom.

(E.D.)

R. Lagrain, De moeder van Guido Gezelle. Tielt: Lannoo, 1975.
S. Streuvels, Kroniek van de familie Gezelle. Brugge: Desclée- De Brouwer, 1960.

 

Informatie in het Guido Gezellearchief