Dikwijls vinden we bij de tekst van het gedicht een indicatie dat Gezelle hier een lied bedoelde. De titel of ondertitel geeft dit soms aan: Drie-Koningenlied, Het Standaardlied, Kerstlied, 't Glas in d'hand (lied). De titel kan ook verwijzen naar het 'zingen' van de tekst: De Vlaamsche Zonen zingen vrij, Meizang, Met welkomzang en vreugdetoonen. Dikwijls vinden we in de tekst aanduidingen die naar een liedvorm verwijzen: bij Christene zielen 'Tusschenzang' (Al 't volk), bij o Heilig Hert, hoe wreed zijt gij doorsteken! Staat 'Voorzang' , bij 't Goedendaglied staat ook nog een aanduiding 'bis'.

Bij andere gedichten heeft Gezelle vermeld: Zangwijze van … Het wijst erop dat de dichter vertrouwd was met een bestaande melodie en daar zijn metrisch schema aan aanpaste, of dat het gedicht bekend was als lied op muziek van die componist. Zo bij o Lied lezen we 'Zangwijze Joseph Duclos', of bij o Maria, die daar staat 'Zangwijze Pieter Busschaert.'

Daar dicht tegen aanleunend vinden we gedichten naar bekende en beroemde melodieën, zo b.v. De Gypten dat een bewerking is van een koorzang uit 'les Bohémiennes' van Schumann, of Kerstnacht waar Gezelle zelf bijvoegt: 'wijze Minuit chrétiens' van Ad. Adam.

Ook bij deze groep zijn die gedichten te catalogiseren die gemaakt werden naar Latijnse teksten die in het Gregoriaans werden gezongen. Dit is soms af te lezen uit de titel, zoals Jam Lucis orto sidere, uit het kerkelijk morgengetijde. In een ruimer verband vinden we dan ook liederen die als motto een Latijnse tekst meekregen en waardoor duidelijk wordt dat het gedicht zijn inspiratie vond in de Latijnse gezangen, b.v. het kleengedichtje Ware Wijngaard, Jesu Christe met Latijnse vormen (voluisti, pependisti) uit de liturgische tekst.